Geschiedenis Grand Café de Burcht.

Het Grand Café de Burcht is gevestigd in het monumentale pand in het hart van Leiden waar Leidse burgers en reizigers al bijna 400 jaar terecht kunnen voor een goed gesprek onder het genot van een hapje en een drankje. Het huidige Grand Café bevindt zich aan het plein aan de voet van het 9e-eeuwse zogeheten mottenkasteel – een burcht op een door mensenhanden aangelegde kunstmatige heuvel. Het plein, in oude bronnen ook wel “De Plaatze” genoemd, met omliggende percelen was gedurende de Middeleeuwen in handen van de burggraven van Leiden. Vanaf de Burcht bewaakten zij de scheepvaart op de Oude en de Nieuwe Rijn, hieven belastingen en tolgelden en spraken zij recht. De snelle groei van Leiden als Hollands lakencentrum in de Middeleeuwen maakte dat de Burcht ingeklemd raakte door de stad Leiden. De Burcht met het plein waar het Grand Café ligt vormde dus een eigen enclave in het centrum van de stad.

Dit veranderde toen de laatste burggraaf van Leiden, Claude-Lamorael de Ligny krijgsgevangen werd gemaakt in de oorlog met Spanje in 1648. De losprijs was zo hoog dat de familie in 1651 De Burcht met toebehoren moest verkopen aan de hoogste bieder en dat was de stad Leiden. Op de plek van het Grand Café bevond zich in ieder geval sinds 1625 al een oudere herberg die van de burggraven gepacht werd door een kruidenier Pieter de Griendt die ook de burchtheuvel met talrijke vruchtenboompjes beheerde. Deze herbergier-kruidenier kwam met het plan om een luxe-hotel te bouwen om de rijke en deftige kooplui, geleerden en gasten van het stadsbestuur een chique onderkomen te kunnen bieden. De stad wilde echter eerst de vervallen Burcht opknappen en sieren met een grote toegangspoort en de Leidse stadswapens.

In 1656 bouwde de stad op de plek van de genoemde herberg een nieuwe stadsherberg. Twee jaar later volgden aan hetzelfde plein de bouw van het Heeren-Logement, waar de deftige reizigers ondergebracht zouden worden, en een Koetshuis ter ondersteuning van het ontstane stadshorecabedrijf. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw hebben de pachters van de Burcht samen met de stad geïnvesteerd in het aantrekkelijk maken en houden van het bedrijf. Er waren labyrinten, wandelpaden en een kolfbaan op en om de Burcht, er liepen hertjes en andere wilde dieren rond en in 1747 legde de pachter een indrukwekkende fontein aan. Om die laatste reden heet de grote zaal van het Grand Café nog altijd de “Fonteynzaal”.

De Leidse geschiedschrijver Van Mieris sprak dan ook van “de meest deftige herberg van Leiden”. In de achttiende en negentiende eeuw, functioneerde deze zaal als luxueuze gelagkamer voor de meer welgestelde Leidenaren en bezoekers van buitenaf. Er was een grote leestafel, verscheidene luxe fauteuils waar de heren genoten van hun krant, een drankje en een sigaar, besprak men zaken en het wereldnieuws of speelde men kaart. In de negentiende en twintigste eeuw functioneerde de Burcht ook als ontmoetingsplaats voor allerlei literaire gezelschappen zoals de Rederijkerskamer van Uiterlijke Welsprekendheid, waarvan tal van (later) beroemde Leidse studenten-auteurs zoals Nicolaas Beets en Klikspaan lid waren. Ook de Leidse textielbaronnen hielden hier hun vergaderingen. In 1899/1900 werd de toegang van het café verplaats en ontstond de erker. Rond 1975 werd het complex uitgebreid met de Tuinzaal.

In het laatste kwart van de 20e eeuw werd het stadsbedrijf waartoe de Burcht behoorde geleidelijk ontmanteld. Het Heeren-Logement werd een gemeentelijke bibliotheek. Het Koetshuis en het huidige Grand Café kwamen in particuliere handen. In 2017 kreeg het Grand Café na een korte renovatieperiode haar huidige uiterlijk.

Geschreven door Historicus Vincent van Zuilen, van de Kennisproeverij